PXL-MAD, School of Arts en LUCA, School of Arts

Dionysos

Vrijdag 3 mei 2019 > Zondag 26 mei 2019

zo 26/5

De terugkeer van Dionysus

 

‘De terugkeer van Dionysus’ als invalshoek voor een tentoonstelling, zal uiteenlopende reacties oproepen. Volgens de ene een beetje overbodig, omdat deze mythologische figuur nooit helemaal is weggeweest en voor de andere een vanzelfsprekende keuze, omdat Dionysus zich in deze postmoderne tijden meer dan ooit manifesteert. In de context van de expo situeren we om te beginnen deze Griekse - maar van oorsprong Aziatische - god, duiden we vervolgens de betekenis die de Duitse filosoof Nietzsche aan Dionysus gaf in samenhang met Apollo én ten slotte peilen we naar het groter wordende Dionysusgehalte van onze veranderende leefwereld.

 

  1. Dionysus (Romeins: Bacchus)

Volgens de Griekse overlevering was Dionysus de zoon van de oppergod Zeus en van de Thebaanse prinses Semele. Hera, de jaloerse vrouw van de immer overspelige Zeus, bewerkstelligde via een list een vroegtijdig levenseinde van de zwangere minnares van haar echtgenoot.  De oppergod redde echter op het nippertje zijn nog ongeboren zoon, door hem in zijn dij te laten geboren worden. Hera zal echter het leven van Dionysus blijven bedreigen, waardoor deze laatste nog een aantal keren terug tot leven moet worden gewekt. Die herhaaldelijke wedergeboorten maken dat Dionysus zal worden vereenzelvigd met de kiemkracht in de natuur. Ook zal hij door Hera met krankzinnigheid worden geslagen, maar ook hier vindt Dionysus redding, wanneer Cybele, de godin van de natuur, hem leert hoe hij die krankzinnigheid moet omzetten in een beheerste kracht. Het is deze godin, die de door nimfen opgevoede godenzoon, laat participeren aan mystieke deliria en orgieën. Dat laatste is een belangrijk gegeven in de betekenisvorming van Dionysus, zeker als men weet dat – deze figuur geboren in een spanningsveld tussen goddelijkheid en menselijkheid -  toen hij eenmaal volwassen was, een wijnstok plantte en zich met de daaruit gewonnen drank bedronk. Uiteindelijk zal Dionysus van lieverlede iedereen verleiden die met hem en het geestrijke vocht in aanraking komt en zullen die hem volgen in een stoet die de wereld rondtrekt om de wijn, zijn geschenk aan de mensheid, te verspreiden. Betekenisvol voor de figuur die Dionysus is geworden, zijn de door hem georganiseerde Bacchanalen: de grote vreugdevolle feesten waaraan veel volk participeert en waarbij niet in het minst vrouwen wild tekeer gaan, woeste kreten slaan en door deliria worden aangegrepen.  De macht van Dionysus zal onbeperkt zijn en zijn rijk onbegrensd. In de marge van dit beperkt levensverhaal is het wetenswaard, dat volgens de mythische overlevering, Dionysus zou gehuwd geweest zijn met de gerenommeerde Ariadne, dochter van koning Minos van Kreta, met wie hij vier kinderen zou hebben.

 

  1. De betekenis van Dionysus

 

   De eigenschappen die aan Dionysus worden toegekend, liggen in het verlengde van zijn levensverhaal. Hij wordt een beetje benaderd als een marginale god, wiens eigenschappen in schril contrast zullen staan met Apollo. Een tegenstelling, die later zal leiden tot een veel gehanteerd dubbelbegrip. Dionysus is een non-conformistische god, die weinig respect opbrengt voor de gevestigde waarden en dito orde. Het gezelschap waarmee hij zich ophoudt, zijn niet zozeer goden, halfgoden of de groten der aarde, maar veeleer de gewone mensen, waaronder – niet zo vanzelfsprekend voor die periode - ook vrouwen en slaven én zelfs verschoppelingen en onaangepasten. Dionysus houdt van losbandige mensen, van buitensporige met wijn overgoten bijeenkomsten, van libertijnse dansen, maskers en wilde kreten. Krankzinnigheid, bezetenheid, mystieke extase, sluwheid en zelfs moord maken deel uit van het universum van deze god. Dionysus heeft in tegenstelling tot de meeste andere Griekse goden geen woonplaats op de Olympus, in feite had hij zelfs geen vaste woonstede en verbleef hij bij voorkeur in grotten en naargeestige plekken. Dionysus zwierf over de aarde met bacchanten, silenen, satyrs en quasi krankzinnige goden die hem vergezelden in zijn veroveringstocht, die enerzijds tot stand kwam met militaire middelen en anderzijds met mystieke kracht. Hij wilde zoals al gezegd, de wereld kennis laten maken met de weldaad van de wijn en evenzo de grenzen tussen goden en mensen laten vervagen. Dionysus is de god van de wijnbouw, van de vruchtbaarheid van de natuur, van geestdrift en enthousiasme, hij staat ook voor de mengeling van zwakheid en moed. Dionysus brengt mensen bij elkaar, heeft invloed op het menselijk gemoed en is ook de god van voorspelling en reiniging. Dat laatste vloeit voort uit het gegeven dat Dionysus slechts ten dele van goddelijke afkomst was en hij van dat aardse moest gereinigd worden, vooraleer toegang te krijgen tot de wereld van de Olympische goden, wat hem ook lukte na zijn zegevierende tocht over de aarde. Dionysus is ook de hoeder van de vochtige plaatsen, omwille van de band van water met vruchtbaarheid en hij kon slaande met zijn thyrsusstaf tegen rotsen, bronnen van water, wijn, melk en honing laten ontstaan.

De cultus van Dionysus, die aanvankelijk een vrij orgiastisch en extatisch karakter had, werd – zoals al gezegd - hoofdzakelijk door vrouwen (bacchanten) gevierd. Riten die de oerkracht van de godheid als  vruchtbaarheidsdemon weerspiegelden. Het wisselend spel  van dood en kiemkracht. Gaandeweg nam de extatische dimensie wat af en in de Romeinse tijd (2e eeuw v. C.) werden ze omwille van de vele uitspattingen – vooral bij de lagere standen, slaven en vreemdelingen – zelfs verboden.

 

  1. Nietzsche en Apollo vs Dionysus

 

In het vermelde contrast tussen Apollo en Dionysus zagen velen de vertegenwoordiging van tegengestelde en wisselende facetten van mens en maatschappij. De vernoemde goden werden aanvankelijk veeleer louter beschouwd als antipolen, maar de Duitse Friedrich Nietzsche zag een soort van op elkaar aangewezen zijn. Hij poneerde een theorie, uitgaande van  de overtuiging dat er tussen twee doorgaans van elkaar gescheiden levensprincipes een sterke wederzijdse noodzakelijkheid bestond. Zo versmolten het Apollinische – de rede, het evenwicht, het kritische en individuele - en het Dionysische – het onstuimige, het natuurlijke, het niet-reflectieve en het collectieve - met elkaar in de grootsheid van de Griekse tragedie.  Waar de ene bijdroeg tot orde, schoonheid en regelmaat, trachtte de andere de vermelde eigenschappen te vernietigen door roes en chaos. De vorm wordt door Nietzsche gezien als het apollinische, de gemoedsbeweging van de kunstenaar als het dionysische. Het eerste stelt de kunstenaar in staat zijn quasi grenzeloze inspiratie en onstuitbare roes tot uitdrukking te brengen, maar houdt ook het dionysische onder bedwang. Het hanteren van de bewuste theorie – die zoals gezegd in alle kunstvormen aanwezig is - stelt de mens ook in staat de wereld te begrijpen. Dat de mens de wereld probeert te begrijpen en structuur te geven, is vanzelfsprekend, omdat hierdoor een systeem ontstaat dat het redeneren mogelijk maakt. De mens moet echter aanvaarden, dat deze vereenvoudigingen niet het echte beeld van de werkelijkheid zijn, maar dat deze laatste door de rede is vervormd.  Terwijl Schopenhauer pleitte voor een apollinische levenshouding, was Nietzsche veeleer gewonnen voor een ‘dionysische’ bevestiging van de levenswil. Deze laatste betreurde dat sedert  Socrates en Plato, tot in zijn tijd Dionysus in de verdrukking was geweest.   

 

  1. Dionysus in postmoderne context

Er wordt herhaaldelijk gezegd dat we sedert de zestiger jaren van de vorige eeuw in postmoderne tijden leven. Een term die zowel wordt gehanteerd voor wat na het modernisme komt, als wat tegen dat modernisme is.  Wat is typerend voor een postmoderne samenleving en in welke mate zouden we die kunnen bestempelen als toenemend dionysisch, wat hier misschien een bijkomstige vraag is. Vooral stellen we ons de vraag: in welke mate wijzen maatschappelijke gebeurtenissen in deze postmoderne tijden op een terugkeer van Dionysus?

Postmodernisme staat voor consumptie, voor het ongeloof in de grote verhalen en dito idealen, voor geconstrueerde en subjectieve waarheden, voor pluralisme, voor het fragmentarische, voor complexiteit en voor tegenspraak. Postmodernisme staat ook voor schizofrenie, voor imitatie, voor parodie en nog zoveel meer. Een aantal van de voornoemde kenmerken lijken immers eerder verwant aan het Dionysische gedachtegoed en in mindere mate aan het geloof in de kracht van de rede en haar toekomstgerichte idealen zoals geponeerd door het modernisme. Het lijkt – uitgaande van de ontwikkelingen van de voorbije decennia - inderdaad alsof Dionysus de tegenaanval heeft ingezet om het geloof in de vooruitgang, in het hanteren van, waarden, evenwicht en harmonie onderuit te halen. De grote maatschappelijke ontwikkelingen wijzen ook in die richting, wanneer -niet van gevaar ontdane - schertsfiguren mede aan het roer staan van nationale en internationale politiek, wanneer het onvermogen wordt geëtaleerd om grote maatschappelijke problemen (klimaat, overbevolking, armoede e.a.) aan te pakken , wanneer we door weerkerende golven van religieuze waanzin worden meegesleurd, wanneer mensen nauwelijks nog stil blijven staan bij onbeschaafd en wreed gedrag en wanneer er voor velen maar geen eind kan komen aan het eindeloze en lichtzinnige consumptie- en genotsfeest, omdat we te egoïstisch zijn of niet verder nadenken dan onze neus lang is. Het kan geenszins ontkent worden dat vele maatschappelijke ontwikkelingen een chaotische, zeg maar dionysische dimensie hebben gekregen en het lijkt erop dat we samen met Dionysus op de Titanic zitten en dat we al feestend met hem  ten onder zullen gaan.

 

DAN HOLSBEEK

 

F. COMTE, De grote mythologische figuren, Utrecht 1994, p. 99-102

A. VAN DEN BRAEMBUSSCHE, Denken over kunst. Een inleiding in de kunstfilosofie, Bussum, 2007, p. 113-118.